Blog

Jung en dromen, de initiale droom

door | mrt 26, 2015

De Zwitserse psychiater C.G. Jung (1875 – 1961) heeft zich gedurende zijn lange carrière intensief met dromen bezig gehouden. Hij beschouwde de droom als middel tot het opsporen en bewust worden van tot dan onbewuste inhouden. Deze inhouden zag hij als belangrijk voor de verklaring of de behandeling van een neurose (het woord neurose wordt hier gebruikt zoals Jung dat doet in zijn werk) .

Maar (in tegenstelling tot Freud) zie hij dromen niet alléén als een instrument om de oorzaken van een neurose mee te ontdekken, hij is van mening dat de droom daarnaast een prognose over het ziekteverloop en een therapeutische suggestie kan bieden.

Vooral initiale dromen - dromen uit het allereerste begin van de psychotherapeutische behandeling - kunnen deze drie onderwerpen combineren. Een bekend voorbeeld hiervan is ‘De man met hoogteziekte’.

Een man in een leidende positie komt Jung consulteren. Hij leidt aan angsten, onzekerheid, duizeligheid en soms tot misselijk wordens toe, aan sufheid en benauwdheid. Jung ziet – als Zwitster - de gelijkenis met bergziekte. Deze patiënt heeft een bijzonder succesvolle carrière achter zich. Hij is geboren als zoon van een arme boer en heeft zich door zijn grote ijver en begaafdheid opgewerkt op de maatschappelijke ladder tot hij een leidende functie bereikte. Op het moment dat hij Jung raadpleegt heeft deze man de kans op een nóg hogere positie ware het niet dat een neurose tussenbeide komt met alle bovengenoemde symptomen. De patiënt kwam ook met twee dromen van de laatste nacht voorafgaand aan het eerste consult.

De eerste droom luidde: ‘Ik ben weer in het kleine dorp waar ik ben geboren. Op straat staan een paar boerenjongens bij elkaar met wie ik op school heb gezeten. Ik doe net alsof ik ze niet ken, en loop hen voorbij. Dan hoor ik één van hen zeggen, terwijl hij op mij wijst: ‘die komt ook niet vaak in ons dorp terug’ (C.G. Jung, Dromen 2001).

De tweede droom was als volgt: ‘Ik heb bijzonder veel haast , omdat ik op reis wil gaan. Ik zoek mijn bagage bij elkaar, maar kan niets vinden. De tijd dringt, de trein zal weldra vertrekken. Eindelijk lukt het me om al mijn spullen bij elkaar te krijgen. Ik ren de straat op, maar ontdek dat ik een map met belangrijke papieren ben vergeten. Ik ren buiten adem terug, vind hem eindelijk en haast me naar het station, maar ik kom nauwelijks vooruit. Eindelijk, met inspanning van mijn laatste krachten, stort ik me op het perron en zie hoe de trein juist het station verlaat. Hij rijdt in een merkwaardige S-vormige bocht; hij is heel lang, en ik denk: als de machinist nu niet oplet, en volle stoom geeft zodra hij op het rechte stuk komt, dan zitten de achterste wagons nog in de bocht, en zullen door de snelheid uit de rails lopen. Inderdaad geeft de machinist volle stoom, ik probeer te schreeuwen, de achterste wagons slingeren verschrikkelijk , en lopen inderdaad uit de rails. Het is een vreselijke catastrofe. Vol angst word ik wakker.’

In de eerste droom ziet Jung een verwijzing naar het bescheiden begin van de loopbaan van de patiënt, blijkbaar wil de droom hem eraan herinneren niet te vergeten hoe laag hij begonnen is.

De tweede droom ziet Jung als een uitbeelding van de nerveuze haast en de eerzucht van de man om nóg verder te komen op de maatschappelijke ladder. De droom is een waarschuwing dat hij zich tevreden zou moeten stellen met wat hij bereikt heeft omdat zijn eenvoudige afkomst en de inspanning van de lange weg naar boven zijn krachten hebben uitgeput. Als hij toch roekeloos voortsnelt zal hij ontsporen.

Jung legt eigenlijk drie onderwerpen naast elkaar, het verhaal van de levensloop van de man, zijn neurose die zich uit in psychische klachten zoals angsten en onzekerheid en fysieke klachten zoals benauwdheid, sufheid en duizeligheid die ook optreden bij hoogtezieke ( een stoornis die zich voordoet als men te snel, te hoog stijgt in de bergen). En de dromen van de patiënt die hij ziet als een innerlijke (onbewuste) waarheid, zoals die is. Niet omdat hij dat zelf vermoedt  of omdat de patiënt dat zo wil maar omdat het zo ‘is’.

Deze droom legt niet alleen de oorzaken van de ‘neurose’ bloot maar geeft ook een prognose en een therapeutische suggestie. Het is zaak de patiënt ervan te weerhouden op volle stoom voorwaarts te  gaan omdat hij anders zal ‘ontsporen’. Dit gebeurt echter niet. De patiënt kan zich niet vinden in de diagnose en Jung ziet door uiterlijke omstandigheden geen kan om hem zelf te behandelen. De patiënt volgt zijn ambitie toch en grijpt boven zijn macht, met catastrofale gevolgen.

Er zijn ook talloze initiale dromen waarin geen enkele aanwijzing te vinden is die de neurose verklaart, of die een prognose of therapeutische suggestie bieden. Maar die bijvoorbeeld de instelling van de patiënt ten opzichte van de arts behandelen. Als voorbeeld daarvan geeft Jung drie dromen van dezelfde patiënt die aan het begin van de behandeling bij drie verschillende analytici  werden gedroomd.

De eerste droom luidt: ‘Ik moet over de grens naar een ander land, maar kan de grens nergens vinden, en niemand kan me vertellen waar deze is’.

De tweede droom luidt: ‘Ik moet over de grens. Het is een donkere nacht, en ik kan het douanekantoor niet vinden. Na lang zoeken ontdek ik heel in de verte een klein lichtje, en ik vermoed dat daar de grens is. Maar om daar te komen moet ik door en dal en een donker bos heen, waar ik de weg kwijtraak. Dan merk ik dat er iemand in de buurt is. Hij klampt zich plotseling aan mij vast, en ik word angstig wakker.

De eerste behandeling bij de eerste therapeut werd na korte tijd afgebroken omdat er geen resultaat was. De tweede behandeling bij de tweede therapeut werd ook afgebroken omdat er als gevolg van overdracht en tegenoverdracht complete desoriëntatie optrad.

De derde droom  vond tijdens de behandeling door Jung plaats. De patiënte droomt het volgende: ‘ Ik moet een grens overschrijden, dat wil zeggen, ik ben er al overheen, en bevindt me in een Zwitsers douanekantoor. Ik heb alleen een handtas bij me, en meen dat ik niets heb aan te geven. De douanier echter grijpt in mijn tas, en trekt er tot mijn verbazing twee hele matrassen uit’.

In de eerste twee dromen komt de vrouw niet over de grens. Ze komt dus niet in contact met het onbewuste. In de derde droom lukt dit wel. De twee matrassen wijzen op de huwelijksproblemen van de patiënte blijkt later. Deze huwelijksproblemen zijn echter niet de oorzaak van de neurotische problemen maar ook een gevolg hiervan.

Deze dromen zijn allemaal een  ‘vooruitzien’ op het verloop van de therapie en op de relatie patiënt therapeut, ze vertellen niets over de oorzaak van de neurose. Het is van groot belang om bij het werken met dromen in het achterhoofd te houden dat dromen niet alleen verklaringen voor het ontstaan van een psychische stoornis kunnen bieden maar ook een anticipatie kunnen zijn op de toekomst.

Auteur: L. de Vogel
Literatuur: C.G. Jung, Dromen, 2001